The Last Broadcast


een cleane samenleving (bis)
maart 17, 2014, 9:12 am
Filed under: Uncategorized | Tags: ,

In de Standaard van vandaag uit NVA-senator Louis Ide zijn bezorgdheid over een teveel aan legale drugs in onze samenleving. In al zijn bezorgdheid over diverse al dan niet obscure illegale drugs, vergat hij zich even hard zorgen te maken over alcohol. Behulpzaam zijnde en met alle begrip voor maandagochtendvergeetachtigheid, remixten we de tekst even zodat de gevaren van alle drugs met het nodige vuur geduid blijven.

Een samenleving mag er zich niet mee verzoenen dat alcohol legaal verkrijgbaar is. De schade van dergelijke roesmiddelen is niet te overzien, voor de betrokkenen zelf en voor hun omgeving.

Wat? Met alcohol omgaan vraagt een drietrapsaanpak: preventie, mensen die toch aan de alcohol zijn ervan af helpen, streng optreden tegen producenten, invoerders en dealers.

Misschien is het de stress van de aankomende verkiezingen die maakt dat alcohol zoveel in de aandacht komt. Na het pleidooi van SP.A voor het legaliseren van cannabis, wil econoom Paul De Grauwe nog verder gaan. Hij pleit onomwonden voor het legaliseren van alle alcohol.
Een idee dat ik onbegrijpelijk vind, niet alleen als politicus maar meer nog als ouder van jonge kinderen. Welk signaal geven we als maatschappij als je straks in de openbare ruimte terechtkan voor je dagelijkse dosis alcohol? We geven een signaal dat alcohol is zijn, met alle gevolgen van dien. Het idee is niet alleen onbegrijpelijk, het is ook gebaseerd op foute veronderstellingen. Het is ‘maar’ een pintje, de war on alcohol is verloren, door te legaliseren verminder je de criminaliteit… zijn een paar van de argumenten die de voorstanders van legalisering aanhalen.

Drogredenen

Laten we beginnen met ‘het is maar een pintje. Het risico op hartziekten vergroot door het gebruik van alcohol en het gebruik bij pubers heeft een grote invloed op de hersenen met als gevolg een groter risico op dementie en het syndroom van Korsakov.
Tot zover de illusie dat het ‘maar’ een pintje is en dan hebben we het niet over de gevolgen van andere drugs, maar iedereen die ooit Trainspotting heeft gezien kent de gevolgen van heroïnegebruik.

Het tweede argument, de daling van de criminaliteit, is evenzeer een illusie. Vergelijk met sigaretten: de Europese Commissie gaat ervan uit dat er voor minstens 10 miljard euro accijnzen verloren gaan door de illegale handel in sigaretten. Als er een markt bestaat voor illegale sigaretten, waarom zou die dan niet meer bestaan voor alcohol?

Volgens De Grauwe moet je de accijnzen laag genoeg houden om de criminelen te ontmoedigen. Dus de overheid moet niet alleen alcohol verkopen, ze moet dit ook doen tegen democratische prijzen. Kwestie van de drempel tot je eerste pintje zo laag mogelijk te houden. Volgens gezondheidseconoom Lieven Annemans kost roken alleen al de staat (ondanks de accijnzen) 3 miljard euro per jaar.

Alcohol legaliseren betekent middelen die uiterst schadelijk zijn voor de gezondheid tegen een lage prijs aanbieden en zal niet leiden tot minder maar tot meer menselijke drama’s. Om nog te zwijgen van de gevolgen (van in de moederschoot) voor een kind van wie de ouders verslaafd zijn.

Een aanpak die kan werken

Wat moet er dan wel gebeuren? Voorkomen waar kan, helpen waar nodig en bestraffen waar moet, dat zijn de pijlers van een geïntegreerd alcoholbeleid.
Zoals in Zweden moet preventie de eerste en belangrijkste stap zijn. Voorkomen dat iemand met alcohol begint, heeft een positieve invloed op alle aspecten van de problematiek. Geen gevaar op problematisch gebruik, geen nieuwe klant voor de dealers. Maatregelen waar we nog meer op moeten inzetten. Het voorstel van De Grauwe is een klap in het gezicht van preventiewerkers die uitstekend werk verrichten om mensen weer clean en gezond te krijgen.

Gebruikers moeten we helpen om van hun gewoonten af te raken en zo snel mogelijk. Als we wachten tot gebruik problematisch wordt, is het vaak al te laat. Als alcoholgebruik wordt opgemerkt op school, door hulpverleners, zelfs door de politie, dan moet dat leiden tot actie. We kunnen het ons als maatschappij niet veroorloven dat mensen de beste jaren van hun leven weggooien, omdat ze verslaafd zijn. We mogen alcoholgebruikers niet aan hun lot overlaten. In een aparte alcoholkamer binnen justitie kan een gespecialiseerde magistraat de gepaste sanctie en een behandelingstraject toewijzen.
Maar we mogen ook niet blind blijven voor de gevolgen van alcoholgebruik voor de bevolking. Overlast door alcoholgebruikers moet aangepakt worden en misdrijven moeten bestraft worden, ook met celstraffen. Dit betekent dat gevangenissen uitgerust moeten zijn om met alcoholgebruikers om te gaan en dat ook gevangenen op een veilige manier moeten kunnen ontwennen.

Tegen producenten, invoerders en dealers van alcohol kan niet hard genoeg worden opgetreden. De inspanningen van douane, parket en politie om de handel in illegale alcohol aan te pakken, krijgt dan ook onze volle steun. Elke drug die nooit aangeboden wordt is een overwinning.
Door deze drie principes consequent toe te passen, zal het illegale alcoholgebruik teruggedrongen worden. Door daarop in te zetten zullen alcohol geen aanvaardbaar iets worden en kunnen we de strijd tegen illegale roesmiddelen opdrijven zonder de gebruiker de schuld te geven van alles.

Op die manier herleiden we alcohol tot wat ze werkelijk is: een probleem voor iedereen die ermee in contact komt.
Meteen wordt ook duidelijk wat het nooit mag zijn: een roesmiddel die door de overheid tegen een gunstige prijs verkocht wordt aan iedereen die er zin in heeft.

Kleien disclaimer: dit is geen pleidooi om alcohol te criminaliseren, maar een poging om, met weinig meer dan de replace-functie in Word, de hypocrisie van alle gehyperventileer over legalisatie van drugs te duiden. Het is historisch gegroeid dat de ene drug legaal is en de andere niet. En er zijn veel zeer schadelijke substanties volstrekt legaal en vlot te verkrijgen. Er is ook al door velen (o.a. prof. Tom Decorte) onderzocht en bewezen dat heel wat mensen perfect functioneren, ook al gebruiken ze illegale drugs. Maar de rammelende lades bij collega X en kennis Y die waggelend in zijn auto stapt, zijn blijkbaar een stuk minder belangrijk zodra een politicus nadenkt over regulering van andere roesmiddelen.



Schrijf jij nog?
oktober 21, 2013, 7:40 pm
Filed under: Uncategorized

Een idiote discussie op Twitter. Over literatuur, want er had een uitgever een recensie in brand gestoken en oh wat was dat een aanval op de persvrijheid. Er volgden nog wat kwinkslagen via replies en wat gefundeerder sarcasme en metakritiek via direct message. En dan plots de vraag ‘Schrijf jij nog?’.

Dat vroeg dus de schrijver van wat ik nog steeds de beste Nederlandstalige roman in jaren vind. Aan mij: eeuwig in de rand morrelende recensent, meningspuier op twitter of Facebook en blogger-als-de-tijd-wat-meezit. ‘Te weinig’, moest ik antwoorden: wat gemorrel in de marge en af en toe wat op gindse blog over muziek. Oh ja, daar had hij ook al eens rondgestruind.

Toen ik ‘Donderhart’ pas uit had (enkele jaren eerder), had ik die aan Ian McEwan gelinkt op twitter: een scherp geobserveerde roman die schijnbaar helemaal nergens heen gaat met een hoofdpersonage dat zich almaar meer in futiliteiten en zichzelf verliest terwijl hij eigenlijk de historische gebeurtenissen rond zich moet verslaan. Erg subtiele, uiterst geëngageerde satire, onder een schijnlaagje apathie en cynisme: zo lulde de schrijver ook graag op Twitter. Een van de weinigen die een sardonisch genoegen schept in superieure ironie: die waarvan de toehoorder eigenlijk nooit helemaal weet of je het meent of niet.
En daar mocht een vage pipo uit Hasselt die hij nooit ontmoet had (ja, er zou eens bier gehesen worden in Leiden, maar wat de aanleiding was, ben ik weer helemaal vergeten) al eens bij assisteren, want zo genereus kan je als aan de weg timmerend schrijver best zijn.

‘Schrijf jij nog?’

Te weinig, Thomas. Veel te weinig. Ik had ‘Donderhart’ wel willen schrijven. Er komt ook snel een opstel over je ‘West-Vlaams Versierhandboek’ op een recensiesiteje uit de marge. Maar ik beloof het: dan komt er meer. Schrijven, nu het nog kan. En dat moet vanaf vandaag en ook als eerbetoon aan jou, omdat je dat toen zo onbevangen, geïnteresseerd en vriendelijk vroeg. Zomaar, uit het niets. Dat had toen al een schop onder mijn underachievende would-be schrijverskont moeten zijn. Maar vooral omdat jij het godverdomme niet meer kan. Kut.



Barcelona (I)
februari 18, 2013, 10:05 pm
Filed under: Uncategorized | Tags: ,

In het begin zijn het er twee, in een veel te groot appartement middenin l’Eixample: een strak geregisseerde wijk waar elk kruispunt minstens een restaurant heeft en je eigenlijk overal bescheiden terrastafeltjes tegenkomt. Er volgt een korte wandeling naar Casa Milà en de Sagrada Familia, die ‘s nachts nog net iets magischer en angstaanjagender zijn. Het is vreemd dwalen in een stad waar je om een hoek vier hel verlichte, onwereldse torens uit de nacht kan zien priemen
Dan komen er drie bij, pizza etend op een kruispunt, met een tweede tafeltje vol lege Estrella-glazen. Druk anticiperend en in een donkere living luid maar onvast dansend op Animal Collective.
De middag erop  komen de volgende twee recht naar het Barcelonese Bokrijk, waar ‘s avonds Caribou een nagebouwd authentiek dorpsplein doet ontploffen.
De laatste drie komen ‘s avonds aan, opgewacht door de eerste twee aan een terrastafel  voor het appartement. Er wordt weer gegeten op het kruispunt, de andere vijf komen terug van het concert en het restaurant sluit. Iets verderop blijkt een bruine kroeg verstopt te zijn.

Tien man schuift aan een wankele tafel, op stoelen die bij negen andere tafels horen. Ze zijn hier voor de muziek en delen een intussen veel te klein appartement. Drie werken samen. Vijf uit dezelfde stad. Twee uit dezelfde kroeg. Een krijgt aandacht van drie. Twee blijken in dezelfde straat te wonen. Sommigen hadden iets met sommige anderen en sommigen zullen iets hebben met sommige anderen. Eentje is niet gestopt met roken, drie stoppen toch weer even met stoppen voor het festival. Een koopt een pak sigaretten en geeft het bij een ander in bewaring. Twee staan buiten, druk discussiërend over het programma van de komende dagen. Twee anderen komen erbij met weer een andere mening. Drie praten over muziek, vier over hun stad, drie over hun werk en een bestelt nog een rondje. Terwijl achterin ‘Ring of Fire’ van Johnny Cash verkracht wordt, bereidt voorin een groep zich voor op vier dagen muziek, alcohol en nieuwe herinneringen.



Las Vegas (I)
februari 8, 2013, 5:58 am
Filed under: Uncategorized | Tags: ,

Het is donker en veel vroeger op de avond dan mijn biologische klok denkt. Een klein briesje steekt op. Alsof een föhn door de straat blaast. Ik sta in Fremont Street: het historische centrum van Las Vegas, met casino’s die wel 20 jaar oud zijn. Men verwacht me in The Golden Gate Casino, dat een prohibition-sfeertje uitstraalt. De mannen komen recht uit ‘Once Upon A Time in America’, de vrouwen torsen decolletés waar een flinke hoeveelheid chips in zoek kan raken.

Onze dealer heet Mandy. Ze stalt haar borsten uit op de voorgeschreven afstand: net dicht   genoeg om de concentratie te kunnen verstoren. Net ver (en bedekt) genoeg om ons eraan te herinneren dat dit een casino is. Om dat nog extra in de verf te zetten, dealt ze me de ene na de andere abominabele hand en slechts een schamele Blackjack. Tijd voor aflossing. Mandy haalt kaarten en chips van de tafel. Ze schudt maar haar armen, slaat de handpalmen tegen elkaar, houdt ze voor zich, vingers gespreid: the eye in the sky weet dat Mandy met even weinig vertrekt als ze aankwam.

Om ons te helpen vergeten dat wij wel degelijk met minder zullen vertrekken, gaat ze dansen op een van de podia tussen de goktafels. “chase you down until you love me, papa, paparazzi”, lipt ze mee, lapdancend van op een veilige afstand, terwijl haar collega me nog slechtere handen toeschuift. Ik zit als eerste door mijn verlieslimiet van de avond en graai de weinige chips die me resten bij elkaar. Maar ook in de kleine, gezellige casino’s is niets te beleven voor wie geen geld wil verliezen. Dus ik waai Fremont Street op. Geen idee hoeveel later het is, want ook ‘s nachts is het hier klaarlicht.

Toeristen betalen om met een valse Elvis, Darth Vader of opulente boezem op de foto te mogen. “Ladies and gentlemen, welcome to the Fremont Street Experience”, weergalmt en de miljoenen LEDs die de straat overkoepelen lichten op. De blik gaat naar boven voor een gedateerd klank- en lichtspektakel dat start met een veel te serieus bedoelde karaoke-versie van ‘American Pie’. Rond me mensen die dit alles duidelijk veel vrolijker en frisser in zich opnemen: tijd voor de pendelbus. Die vertrekt een kilometer ongein verder, net om de hoek. Hier geen klank- en lichtspel, maar donkere straatjes, schimmen en een hel verlichte, bewaakte bushalte.

De bus rijdt langs te goedkope motels, schuwe junkies en een hel verlichte stripclub waar de limo’s af en aan rijden naar de veilige Strip. Voor The Bellagio dansen de fonteinen op ‘Con te Partiro’, maar een honderdtal toeristen kijkt de andere kant uit, waar een politiewagen uitbundig staat te zwaailichten naar een geboeide zwarte en zijn auto. Een blik bier staat bezwarend op dak. De agenten ondervragen zijn vrouwelijke passagier en laten de toeristen lustig foto’s trekken. Ik tik: ‘Goed aangekomen. Nog steeds fascinerende stad, dus fijn weerzien. Pak warmer dan vorige keer.’ en druk op verzenden.



‘En ja, ik moet de vraag stellen’
augustus 23, 2011, 10:45 am
Filed under: Uncategorized

Het moet de eerste Pukkelpop in bijna 20 jaar zijn waar ik niet was en ook (nog) niet met alle geweld wilde zijn. Ik overwoog om vrijdagnacht van op de Kempische Steenweg te gaan kijken of Eminem het headlinen waard was en er was een kleine kans dat ik zaterdag toch zou kunnen gaan. Geen recensies dit jaar, geen hossen tussen podia, geen nieuwe muzikale ontdekkingen, geen bijgeklets aan de bierentent.
En uiteraard begon donderdagochtend de Pukkelmicrobe zich toch meer te roeren met elke rugzak die ik door Hasselt zag trekken. Tot het onweer losbarstte en ik de hagelstenen voorbij zag waaien. Toen was er alleen nog angst en onmacht. Gelukkig bleek snel dat iedereen die ik op de wei kende ongedeerd was, op een hoofdwonde na. Tot L belde, helemaal overstuur en wenend op weg naar huis. Of ik al iets te doen had, want misschien kon ik voor wat kalmte komen zorgen. Vier mensen zitten droog, maar duidelijk in shock. Er zijn nog twee mensen op komst: ook al zat bijna iedereen samen toen de storm losbarstte, ze zijn via andere wegen op weg naar hier.Veel vragen, niemand die zich afvraagt hoe dit had kunnen voorkomen worden. Als er al schuldgevoelens ter sprake komen, zijn die over wat je zelf had kunnen doen of niet doen. Half Hasselt is in shock of zoekt koortsachtig naar een manier om te helpen.

Gelukkig zijn er nog journalisten die het hoofd koel houden en de vraag stellen die eigenlijk niemand zich op dit moment stelt: had dit kunnen voorkomen worden? Heeft de organisatie steken laten vallen? Is er al ergens een dodenaantal te vinden om op onze site te zetten?

Al zijn dat terechte vragen en mogen ze zeker niet uit de weg gegaan worden, er is een tijd en een plaats voor dergelijke vragen. Je mag verwachten dat een journalist een intelligent persoon is met het nodige boerenverstand. NIEMAND kan nauwelijks enkele uren na de storm al voldoende overzicht hebben om te weten of dit voorkomen had kunnen worden. Op het moment dat de slachtoffers en gewonden net geteld zijn en er volop medische hulp geboden wordt, is nog niemand bezig met een schuldvraag of het zoeken naar verantwoordelijken. Behalve journalisten, want de vraag moet gesteld worden.

Welja, maar aan wie? Aan de woordvoerder van het parket bijvoorbeeld, wanneer het onderzoek is afgerond. Niet aan de organisator, die alles zo sereen mogelijk probeert af te handelen in verschrikkelijk omstandigheden en die ook beseft dat zijn levenswerk op vier waanzinnige minuten de verdoemenis ingewaaid kan zijn. Chokri Mahassine en zijn medewerkers hebben nog steeds geen journalisten nodig om zich af te vragen of ze op voorhand iets hadden kunnen doen om de impact van het noodweer te verminderen.

Dankzij een werkend noodplan, de inzet van honderden medewerkers van de hulpdiensten (die allicht ook kinderen of familie of kennissen op de weide hadden) is de ramp ingedijkt zodra de natuur haar tol geëist had. En vooral: er is geen paniek uitgebroken.

Het lijkt erop dat sommigen niet kunnen aanvaarden dat een dergelijke ramp zich ook kan voordoen zonder een menselijke fout. Maar zelfs als die ene fout ontdekt wordt waardoor een tent misschien wel een seconde of vijf langer had kunnen standhouden, wordt het leed er niet minder op door die schuldige aan de schandpaal te nagelen.

In hun zoektocht naar verklaringen om later erger te voorkomen, is in journaals, opiniestukken en kranten al te veel voorbij gegaan aan het enige positieve dat we van Pukkelpop 2011 kunnen onthouden: dat erger is voorkomen.

Maar er zijn nog enkele interessante vragen te stellen, waarde journalisten:

  • Wat als een dergelijke storm over de weide van Werchter geraasd was? (me dunkt dat er daar meer publiek op een kleinere oppervlakte staat en dat de Haachtsesteenweg minder volk kan slikken dan de Kempische en dat de site moeilijker bereikbaar is voor de hulpdiensten)
  • Een tent met gescheurd zeil, is die nog wel zo stevig als toen hij getest werd?
  • Zo’n tentzeil, zou dat niet onscheurbaar moeten zijn? Zo’n boom, zou die niet onbreekbaar moeten zijn?
  • Kunnen we nog wel om met noodlottige gebeurtenissen: de 0,01 procent in een risico-analyse? De gebeurtenissen waar men in vroeger tijden goden voor heeft uitgevonden?
  • Kan ik tussen twee standups en interviews door misschien nog iemand helpen?


Generatie A
oktober 21, 2009, 10:01 pm
Filed under: Uncategorized

San F. Yezerskiy is een beetje een smeerlapke, maar een waar je niet lang kwaad op kan zijn. Hij worstelt met dingen waar ik ook mee worstel of geworsteld heb. Hij is gezegend met een goede pen en vooral met meer zin voor structuur en compositie dan ik. Hij vergezelde me enkele weken geleden voor een meer dan leuke avond op café. We praatten er over ideeën en dingen die waarvan we stiekem vinden dat we ze beter kunnen dan anderen. Ik vertelde over een verhaal waar ik al lang mee worstel, een blogidee dat bijna klaar is (watch this space!) en de rusteloosheid die heel wat eind-zeventigers en begin-tachtigers kenmerkt. De rusteloosheid en onzekerheid die in 2001 plots begon te overheersen bij jonge pas afgestudeerden.

Hij voelde zich wat aangesproken, schreef er een mooie tekst over en schreef en misschien wel nog mooiere metatekst waarin hij mij een beetje als inspiratiebron noemt. Hij is gul met fijne woorden, maar schrijft vooral zelf fijne columns en weet het evenwicht te bewaren tussen anekdotes, slimmigheden en zogenaamde universele waarheden.

En het is leuk dat je mee aan de basis ligt van iets moois  dat mensen blijkt te raken, maar het ego had het toch ook wel graag zelf geschreven. Maar ik schrijf dan weer andere dingen. Hier, elders en ergens dat er nog niet helemaal is en ik ga dat vooral meer doen, omdat ik dan geen anderen nodig heb om me schrijver te noemen.

Het is dat ik al grote broer ben van anderen ben, of ik zou hem helemaal gelijk  geven.

We’re gonna build something this winter.



Dré
oktober 9, 2009, 8:56 am
Filed under: Uncategorized

Dré Steemans is dood, overleden aan een hartinfarct. De kranten hebben het over Felicé die overleden is, maar die was al langer dood, toch zeker als het aan Dré lag.
Felice heb ik nooit goed gekend. Dré een beetje, maar genoeg om niet goed te zijn van dit bericht en me af te vragen of hij wel wist hoe dankbaar ik hem voor sommige dingen ben.

Hij liet me meer dan 15 jaar geleden binnen in zijn (toen nog) bescheiden flat in Hasselt voor een interview voor mijn schoolkrantje. Hij was te spreken over het interview en vond dat ik moest blijven schrijven. Mezelf verbeteren en journalist worden of redacteur of mediafiguur, maar alleszins iets met schrijven.

Dré heeft me veel over ‘het wereldje’ geleerd, me in contact gebracht met mensen uit dat wereldje, waardoor ik meer en meer zag hoeveel mens er achter de gemiddelde mediafiguur zat. Hij leerde me ook echte comedy kennen (Monty Python, Fawlty Towers, Blackadder, Young Ones), dingen waar je in het pre-internettijdperk niet zo makkelijk mee in contact kwam.
Hij gaf me boeken van Tom Lanoye en Herman Brusselmans mee, waardoor de leraren Nederlands van het Katholieke college waar ik les volgde, soms wat ongemakkelijk schuifelend naar mijn boekbesprekingen keken.

Hij zag allerlei talenten in me, waar ik zelf niet altijd zo van overtuigd was, maar als ik nu schrijf op blogs, sites en soms ook elders, is dat voor een groot deel aan Dré’s enthousiasme en steun te danken.
Toen ik hem daar jaren geleden (ouder, afgestudeerder en wijzer) eens voor bedankte, zei hij dat het niet nodig was. Dat hij gewoon hoopte dat ik aan hem zou denken bij elke stap die ik richting journalistiek zou zetten en dat ik misschien ooit ook mijn verhaal over hem op papier zou zetten.

Dat is er nog niet van gekomen en dat voelt nu wel erg knudde aan. Zeker omdat Dré almaar meer wegdook achter zijn typetje Felicé en publiek en media niet veel verder meer kijken dan het kolderieke figuur dat hij in Het Swingpaleis neerzette. De laatste keer dat ik hem zag (toch ook weer bijna drie jaar geleden), leek hij daar vrede mee te hebben. Felicé was zijn werk en zorgde voor het geld en de vrijheid om Dré’s dromen te kunnen realiseren: films kijken, lekker eten en koken, met kunst en cultuur bezig zijn en in de Provence of zijn ommuurde tuin van dat alles en van  goede gesprekken genieten.

Dré is er niet meer en ik kan hem niet meer persoonlijk bedanken, dus dan blogt een moderne mens er maar even over. Maar in veel van wat ik doe en veel waarvan ik droom, echoën uitspraken, adviezen en schouderklopjes van hem door.
Jongeren stimuleren in hun ambities en dromen, vond Dré erg belangrijk en dat deed hij dan ook. Waarschijnlijk niet alleen met mij, maar ook met velen anderen, Maar dan buiten de spotlights en dat siert hem.

Bedankt Dré, het ga je goed in de eeuwige Provence.